Archief-stukjes
Het stadsarchief neemt je op deze blog mee achter de schermen, in verhalen en in het verleden van Diest. Kom elke maand eens kijken voor een nieuwe update.
17 augustus 2026 | Klyn getydeken van den H. Joachim
Het Stadsarchief van Diest bevat verschillende pareltjes en unieke stukken in zijn collectie. In deze blog lichten we een unicum toe uit onze collectie oude drukken van de Diestse Gasthuiszusters, namelijk het Klyn getydeken van den H. Joachim. Dit kleine boekje uit het begin van de 18de eeuw is een uniek drukwerkje. Het Stadsarchief van Diest heeft het enige bekende exemplaar van België en Nederland in zijn collectie. Dit unieke boekje is opgedragen aan de Heilige Joachim, de vader van Maria wiens naamdag valt op 26 juli. De Heilige Joachim was de patroonheilige van de echtelieden en dit boekje bevat allerlei advies in verband met geloof, huwelijkstrouw en de opvoeding van (Christelijke) kinderen.
Collectie oude drukken Stadsarchief
Het Stadsarchief van Diest beschikte reeds over een kleine collectie oude drukken toen deze aanzienlijk werd uitgebreid in 2024. Op dat moment kreeg het Stadsarchief 335 oude drukken in bewaargeving van de Gasthuiszusters van Diest (meer hierover in onze blog van februari 2025). Dit was voor het Stadsarchief het uitgelezen moment om zowel de collectie oude drukken van de Gasthuiszusters als de bestaande collectie oude drukken opnieuw te beschrijven en te ontsluiten voor het grote publiek volgens de richtlijnen van de STCV (Short Title Catalogus Vlaanderen).
Eerst waren de oude drukken van de Gasthuiszusters aan de beurt. Deze boeken werden beschreven en vervolgens vond een waarderingstraject plaats. Tijdens dit traject gingen we samen met een groep experten op zoek naar de pareltjes in de collectie en werd nagegaan welke boeken in aanmerking kwamen voor conservatie of restauratie. We spreken van een oude druk wanneer een boek gedrukt is vóór 1840. De ouderdom van een boek zegt echter niks over het feit of een boek zeldzaam is of niet (hoewel de kans natuurlijk stijgt als het boek erg oud is). Een oude druk is zeldzaam wanneer er maar weinig exemplaren van dit boek bewaard zijn gebleven in Nederlandse of Belgische wetenschappelijke bewaarinstellingen en bibliotheken. Een uniek exemplaar of een unicum is een oude druk waarvan maar één exemplaar is bewaard gebleven.
Een miraculeus unicum
In totaal is iets meer dan 10% van de oude drukken van de Gasthuiszusters van Diest zeldzaam en tegen onze verwachtingen in bevatte de bewaargeving van de Gasthuiszusters zelfs twee unica. Eén van deze unica is het boekje: Klyn getydeken van den H. Joachim dat dateert uit het begin van de 18de eeuw. De bescheiden en beduimelde lederen kaft van dit boekje en zijn kleine formaat geven op het eerst zicht geen indicatie over zijn zeldzaamheid.
Dit boekje is samen met nog drie andere werkjes ingebonden in één boekband, dit noemen we een convoluut. We veronderstellen dat dit boekje een echt gebruiksobject was. De lederen band vertoont duidelijke slijtagesporen en vanbinnen in het boek zit er zelfs een brandvlek. We hebben het raden naar wat er met dit boekje is gebeurd. Was er een ongeluk met een brandende kaars of was er een onvoorzichtige lezer met een smeulende sigaar of een sigaret? Het is in ieder geval een mirakel dat het boekje niet helemaal opgebrand is.
Dagdagelijks advies
Het Klyn getydeken van den H. Joachim is een boekje dat zich richt tot getrouwde gelovigen. Het boekje is opgedeeld volgens de maanden van het jaar en behandelt zo meerdere luchtige theologische thema’s’. Het boekje bevat verschillende mooie illustraties en geeft meer uitleg over het Christelijk geloof in de vorm van vraag en antwoord.
Een voorbeeld hiervan komen we tegen bij het prentje en de spreuk in de maand juli. Plichten der getrouwden. “Mannen bemint uw huyfvrouwen gelijkt Christus de Kerk bemint heeft.” Even verderop vinden we ook de vraag: “Welke zijn de plichten der getrouwde?” Het antwoord hierop is: “Malkanderen Christelijk liefhebben, getrouwd zyn believen, verdragen, tot de deugt verwecken.” Advies waarmee menig huwelijksbemiddelaar tot vandaag de dag aan de slag kan.
Dit kleine werkje was ooit het bezit van J. Walravens wiens naam we veelvuldig terugvinden in annotaties. Hij of zij was de oorspronkelijke eigenaar van dit boekje voordat het onderdeel werd van de bibliotheek van de Gasthuiszusters. Dit boekje is veel luchtiger dan het merendeel van de religieuze boeken uit de handbibliotheek van de Diestse Gasthuiszusters, waar de focus ligt op dood en lijden of op de devotie tot Jezus Christus.
De opkomst van laagdrempelige religieuze literatuur is een gevolg van de toenemende geletterdheid onder de gegoede bevolking in loop van de 18de de eeuw. Na het ontstaan van het protestantisme in de 16de eeuw ontstond er vanuit de Katholieke Kerk een tegenreactie die we de Contrareformatie noemen. Net zoals het protestantisme werd verspreid door de toenemende boekdrukkunst, wilde de Katholieke Kerk dit medium gebruiken om aansluiting te vinden bij zijn katholieke gelovigen. Hierbij werden er toegankelijke Christelijke thema’s zoals de Heilige Familie geïntroduceerd en werd er gekozen voor sprekende afbeeldingen.
Ook in Het Klyn getydeken van den H. Joachim komt de Heilige Familie aan bod. In augustus krijgen de ouders aanbevelingen over hoe ze hun kinderen tot devote Christenen kunnen opvoeden. Hierbij geeft het boek het volgende opvoedingsadvies: “Gaeter om te rade by wyfe Manne”. Ook in de 18de eeuw was een gelijke visie in opvoeding een basis voor succes.
Dit werkje geeft een unieke inkijk in de leefwereld van onze voorouders waarbij geloof een belangrijke rol innam. Het boekje geeft op een toegankelijke manier immers religieus advies over dagdagelijkse zaken waarmee onze voorouders omgingen. Historische sensatie is nooit ver weg, als je merkt dat de zaken die in het leven van onze voorouders een belangrijke rol speelden (zoals trouw, kinderen opvoeden en uw vrouw tevreden houden), bijzonder hedendaags aanvoelen. Dit werkje heeft naast een historische waarde ook een financiële waarde aangezien het om een uniek exemplaar gaat.
Toekomstplannen
Op dit moment werkt het Stadsarchief van Diest verder aan de ontsluiting van zijn oorspronkelijke collectie oude drukken. Door de verdere ontsluiting en het bestuderen van onze collectie hopen we nog vele pareltjes bloot te leggen en misschien in de toekomst nog enkele unica te ontdekken.
Auteur: Sarah Ons
8 augustus 2026 | Gemeyne vrouwen en stoven in Diest
Geschiedenis raakt ons vaak door het onverwachte. Diest is zo'n stad met een rijk verleden vol verrassende verhalen. Eén daarvan gaat over een fenomeen dat al eeuwenlang in steden aanwezig is: sekswerk.
Hoe ging het eraan toe in middeleeuws Diest? Waar bevonden zich bordelen en badstoven? En hoe keek het stadsbestuur naar sekswerk? Maak kennis met ‘gemeyne vrouwen’, bordeelhoudsters zoals Zoete van Colene en badstoven waar meer gebeurde dan alleen baden.
‘Wat wive ocht wijfs name die bordeel houden’
Enkele stedelijke bronnen geven ons een unieke inkijk in deze geschiedenis. Ze voeren ons terug naar de eerste bekende regeling over sekswerk in Diest, opgesteld op 1 oktober 1339.
Deze bepaling legt een boete op van 10 schellingen aan elke vrouw die na de avondklok nog mannen binnenlaat in haar bordeel. Ook de betrapte klant kreeg dezelfde straf. Bezoeken werden dus toegelaten zolang ze vóór de avondklok plaatsvonden. Daarnaast toont de regeling dat er in het veertiende-eeuwse Diest zowel openbare als private (‘heymeleec’) bordelen bestonden. Bovendien ging men ervan uit dat vrouwen de bordelen uitbaatten en mannen de klanten waren.
De Zavelstraat
Een iets latere, maar niet exact dateerbare regeling legt vast waar bordeelhoudsters zich mochten vestigen.
De tekst stelt dat zij mogen wonen in de Zavelstraat of aan de vesten, buiten de publieke wegen. Verder herhaalt de tekst grotendeels de oudere regeling, maar met een opvallende toevoeging: wie gewapend een bordeel betrad, verloor zijn wapens. Net als de avondklok lijkt deze maatregel bedoeld te zijn geweest om de openbare orde en veiligheid te bewaren.
De Zavelstraat bevond zich inderdaad aan de vesten en liep langs de Warande tot aan het Begijnhof. Dat daar daadwerkelijk sekswerk aanwezig was, blijkt uit een cijnsboek van 1379. Daarin wordt een ‘bordeelhuys’ vermeld, met Zoete van Colene als eigenares.
In de vijftiende eeuw worden de bronnen nog sprekender. Een nieuwe regeling bepaalt dat gemeyne vrouwen, een benaming voor sekswerkers, mochten wonen aan de vesten, in de Zavelstraat en in de Engelandstraat. Volgens de tekst waren dit de plaatsen waar zij al ‘van ouden tijden’ verbleven. Toch tonen de bronnen ook dat de praktijk niet altijd overeenkwam met de norm.
Norm vs praktijk
Een voorbeeld zijn de vonnissen uit 1490 van Noykene Basteels, ook bekend met de bijnaam ‘int stove’. Die bijnaam verwijst naar haar band met een stedelijk badhuis of stove – plaatsen waar naast baden soms ook seksuele diensten werden aangeboden.
Volgens de vonnissen zou Noykene Jan Schonewegge hebben verwond en bovendien ‘vele onzedelicheiden’ hebben gepleegd in de Begijnenstraat, ‘daer zij woent’. Dat is opmerkelijk, aangezien sekswerkers volgens de regelgeving niet in dergelijke ‘eerzame gebuerten’ mochten wonen. De regulering kwam dus pas in actie toen er klachten waren. Noykene moest een dubbele bedevaart afleggen naar Ferrara en Rome.
De stoven van Diest
De vonnisboeken noemen nog verschillende vrouwen ‘van den stove’ en helpen ons ook deze badhuizen te lokaliseren. Een vonnis uit 1477 vermeldt Lijne van Springel, ‘vrouwe van den stoven op ten Steewech’, wat verwijst naar de Lange Steenweg, oftewel de huidige Koning Albertstraat. Dit toont aan dat sommige badhuizen die met sekswerk verbonden waren zich midden in het stadsleven bevonden. Een cijnsboek uit datzelfde jaar vermeldt bovendien een betaling door Oda van den Haghen - en dus als vermoedelijke eigenares - van de stove op de Steenweg.
Ook de regelgeving verwijst naar stoven in het stadscentrum, specifiek de stoven aan de Kerkhofmolen en de Molenbrug aan de Verversgracht. Sekswerkers mochten daar geen klanten lokken voor de deur of overnachten na de avondklok.
Tussen tolerantie en bestraffing
Wie deze regels overtrad, riskeerde een geldboete of het verlies van haar ‘oversten cleede’, het duurste kledingstuk van een vrouw. Hoe waardevol zo'n kledingstuk was, blijkt uit een vonnis uit 1476. Daarin wordt vermeld hoe een zekere Snoeck de tabbaert van een ‘vrouken van stade’ – eveneens een benaming voor een sekswerker – had gestolen en vervolgens had verpand bij de Lombarden. Als straf werd hij op bedevaart naar Sint-Joost-op-de-Zee gestuurd.
Dezelfde strafmaatregelen konden ook worden opgelegd aan gemeyne vrouwen die 's nachts ‘achter straten’ gingen tippelen. Onderzoekers van middeleeuws sekswerk wijzen erop dat dergelijke boetes vaak niet zozeer bedoeld waren om sekswerk volledig te verbieden, maar eerder om het te reguleren.
Kortom tonen de Diestse bronnen dat sekswerk werd getolereerd, gereguleerd én voorkwam buiten de officieel toegelaten zones.
De kaart hierboven geeft een overzicht van enkele plaatsen in de stad die in de bronnen met sekswerk verbonden worden. En dit is slechts wat een beperkt aantal bronfragmenten ons vertelt. Hoe meer we in de archieven duiken, hoe duidelijker wordt dat achter de vertrouwde straten van vandaag een verrassend veelzijdig en complex verleden schuilgaat.
Auteur: Silke Jonckers
1 juli 2026 | Online archiefbank
Archiefbank van het stadsarchief
De online archiefbank van het stadsarchief ging in 2023 officieel van start. Sindsdien blijft het stadsarchief inzetten op digitale ontsluiting van haar collecties. Via de online archiefbank kunnen burgers, onderzoekers en erfgoedliefhebbers origineel bronnenmateriaal ontdekken. Jaarlijks worden er nieuwe bronnen gedigitaliseerd én online toegankelijk gemaakt. Recent werden drie waardevolle archiefreeksen toegevoegd: haardtellingen, resolutieboeken en jaarverslagen.
“leemen huijs hebben een stroijen dack”
Een eerste nieuwe reeks die recent werd toegevoegd zijn de haardtellingen. Vanaf de late middeleeuwen legden centrale (bv. het hertogdom) en lokale (bv. de stad) overheden overzichten aan om de rijkdom binnen hun grondgebied in kaart te brengen. Deze overzichten hadden voornamelijk een fiscaal doel, nl. het heffen van belastingen. Plaatselijke ambtenaren of bedesetters bezochten elk huis in de stad om zo het vermogen of de rijkdom van de eigenaars of inwoners te bepalen. Vaak werd hierbij een onderscheid gemaakt tussen arme of onbewoonde en dus niet-belastbare en bewoonde of wel belastbare huizen.
In de haardtelling van Diest van 1686 worden volgende gegevens vermeld: de locatie en een beschrijving van het goed, de naam van de eigenaar en/of de bewoner of het gezinshoofd, het beroep, de geschatte waarde en de opbrengst van het goed. De haardtelling van 1747 biedt minder informatie over het goed, maar meer informatie over de gezinssamenstelling en vermeldt behalve het gezinshoofd ook de andere gezinsleden. Haardtellingen kunnen dus ook interessant zijn als genealogische bron.
De haardtellingen van Diest van 1686 en van 1747 zijn gedigitaliseerd en volledig online beschikbaar.
“Voerman van desen stadt op Loven”
Resoluties zijn besluiten van een welbepaald bestuursorgaan, zoals bijvoorbeeld een stadsbestuur. Tijdens het Ancien Régime werden resoluties opgetekend in zogenaamde resolutieboeken. De officiële resoluties hadden een belangrijke bewijsfunctie: de neergepende beslissingen dienden als bewijs van de eigen politieke en administratieve macht.
Zo vormen de resolutieboeken van de “Weth ende Raed” van de stad de formele neerslag van de beraadslagingen en besluiten van dit stedelijk bestuursorgaan. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen officiële resolutieboeken en de resolutieboeken “Inter agenda”. Deze laatste zijn een soort van kladversie van de officiële boeken en bevatten vaak meer details die niet altijd in de officiële versies zijn opgenomen. De uitgebreidere versies geven een beter beeld van het besluitvormingsproces en zijn een belangrijke aanvulling op de officiële resolutieboeken.
Een resolutie van 17 oktober 1766 behandelt de aanstelling van Lambertus Roucourt tot nieuwe voerman op het traject Diest-Leuven. De resolutie vermeldt niet enkel de periode van aanstelling, namelijk drie jaar, maar ook de (vele) voorwaarden waaraan Roucourt moet voldoen om de functie te mogen uitoefenen. Zo moet hij o.a. vier “bequame peerden” houden en zijn “voiture” of koets moet acht personen kunnen vervoeren.
Voor Diest zijn er vanaf de eerste helft van de 16de eeuw resolutieboeken bewaard, maar ze vormen geen doorlopende reeks. De “boeken” zijn chronologisch geordend en bevatten vaak geen verdere indexering. Het onderwerp van het besluit werd meestal in de marge genoteerd. Sommige resolutieboeken hebben betrekking op een specifiek onderwerp, bv. “Resolutien raekende stads accijsen ende Andere innecomen…” (1714-1786).
“Rapport sur l’administration et la situation des affaires de la ville de Diest”
Door het invoeren van de Gemeentewet in 1836 werd het college van burgemeester en schepenen verplicht om jaarlijks openbaar verslag uit te brengen aan de gemeenteraad over het bestuur en de toestand van de gemeentezaken. In sommige steden en gemeenten werd hier ook een uitbreid gedrukt verslag van opgesteld. In de rapporten komen alle facetten van het lokale beleid en de werking aan bod: belangrijke beslissingen van de gemeenteraad, financieel beleid, personeelszaken, bevolking, verkiezingen, economische toestand (zoals landbouw, handel en industrie), onderwijs, erediensten, openbare werken… Elk verslag is opgebouwd in hoofdstukken volgens de verschillende beleidsdomeinen van de stad. Ze volgen niet het kalenderjaar, maar het werkingsjaar van de gemeente dat steeds ingaat in oktober.
De reeks jaarverslagen die zich in het stadsarchief bevindt start niet in 1836, maar in 1844. Bovendien is de reeks niet volledig. De jaarverslagen werden in het verleden ingebonden en werden telkens in hun geheel gedigitaliseerd. In sommige boekdelen overlappen de jaargangen van de jaarverslagen (bv. boekdeel 1847-1851 en boekdeel 1848-1857). Op andere plaatsen vertoont de reeks hiaten (bv. de verslagen van de werkingsjaren 1845-1846 en 1846-1847 ontbreken). De oudere jaargangen werden in het Frans opgesteld, pas later werden de jaarverslagen in het Nederlands opgesteld.
Jaarverslagen zijn een zeer diverse bron voor (lokaal) historisch onderzoek. Zo kan je er meer informatie vinden over: de toestand en het aantal leerlingen in het openbaar onderwijs, de aanleg van nieuwe voetpaden en riolering, cijfermateriaal over bevolking en burgerlijke stand, het aantal gasinstallaties in de stad, de uitbraak van een besmettelijke ziekte of epidemie, het aantal fabrieken dat op het grondgebied aanwezig is… De mogelijke onderzoeksonderwerpen zijn talrijk. Zo lezen we in het jaarverslag van 1867-1868 dat het bijzonder warme weer grote gevolgen had voor de opbrengst van de verschillende landbouwgewassen.
Wat nog?
Behalve deze drie aanvullingen vind je in de online archiefbank nog heel wat ander materiaal terug. De akten van de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters van Diest en deelgemeenten werden gedigitaliseerd en zijn online raadpleegbaar voor zover ze reeds openbaar zijn en bewaard bleven. De openbaarheidsregels kan je terugvinden op de webpagina Stamboomonderzoek. Voor de periode 1815 tot en met 1906 kan je de militieregisters raadplegen, een waardevolle bron voor genealogisch onderzoek. De Gazette van Diest was de belangrijkste lokale krant van katholieke signatuur en kan doorzocht worden in de archiefbank. De gedigitaliseerde postkaarten, ten slotte, geven een mooi beeld van Diest doorheen de 19de en 20ste eeuw.
Is je interesse gewekt en wil je archief online raadplegen? Surf naar archiefbank.diest.be en registreer je gratis en eenmalig voor onbeperkte toegang de archiefbank!
Geschreven door: Noortje Lambrichts
7 mei 2026 | Desiré Duwaerts
Desiré Duwaerts en zijn opdrachtenboek: een inkijk in het leven van een Diestse beeldhouwer
Wist je dat Diest in de 20ste eeuw de thuisstad was van de getalenteerde beeldhouwer Desiré Duwaerts? Doorheen zijn leven was Duwaerts nauw verbonden met Diest, zelfs na het verlaten van de stad. Duwaerts was niet alleen artistiek actief, maar documenteerde zijn werken ook nauwgezet. In een schrift hield hij zorgvuldig bij welke werken hij verkocht, aan wie, tegen welke prijs en wanneer hij deze verkocht. Zelfs zijn winst noteerde hij. Dit boek biedt vandaag een waardevolle inkijk in het leven en de loopbaan van Desiré Duwaerts, beeldhouwer uit Diest. Het vertelt een verhaal van creativiteit en ondernemerschap.
Een leven gevormd in Diest
Op 17 maart 1850 werd Desiré Duwaerts, officieel Desiderius Edouardus Duwaerts, geboren te Diest. Hij was het vierde kind in een gezin van zes en had daarnaast nog vier halfbroers en -zussen uit een eerder huwelijk van zijn vader. Zijn ouders baatten samen een winkel uit op de Grote Markt van Diest, waar hij tot zijn zeventiende woonde. Als kind bleek hij al een talent voor kunst te hebben. Zo vertrok hij in 1867 naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. Bij de Academie ontpopte Duwaerts zich als een topstudent. Na zijn studies bloeide dit talent verder open en begon hij aan een rijkelijk gevulde carrière als beeldhouwer.
Een nalatenschap in de vorm van een opdrachtenboek
Vanaf 1874 begon Desiré Duwaerts met het maken en verkopen van zijn eigen werk. Alles wat hij verkocht, schreef hij op in zijn “opdrachtenboekje”. Hij hield dit schrift heel nauwkeurig bij, zo werd de opdrachtgever benoemd, de prijs van zijn werk, de dag waarop hij uitbetaald werd en zijn eindwinsten. Kort gezegd is het schrift een waardevolle bron van informatie. Op het eerste zicht lijkt het boek al Duwaerts' werken te bevatten. Nader onderzoek toont echter aan dat hij waarschijnlijk enkel zijn verkochte werken noteerde. Er zijn namelijk verschillende beeldjes, onder andere in de collectie van het Stadsmuseum De Hofstadt te Diest, die niet verbonden kunnen worden met zijn opdrachtenschrift. Het is plausibel dat deze werken nooit verkocht werden en in zijn atelier opgeborgen werden.
Verder lijkt het dat er een onderscheid was tussen de werken die Duwaerts in opdracht maakte en werken die hij later verkocht aan een geïnteresseerde koper. Dit verschil is zichtbaar in Duwaerts’ notities. Meestal schreef hij eerst de titel van het werk en nadien de naam van de opdrachtgever. Bij deze manier van noteren is er een rechtstreeks verband tussen de werken en het jaartal in het schriftje. Wanneer hij echter “verkocht aan” toevoegde tussen de titel en de koper, komt het jaartal op het gemaakte werk meestal niet overeen met het jaartal in zijn notities. Het lijkt er dus op dat hij beelden maakte zonder een specifieke opdracht en die later ook te koop aanbood.
Het boek schetst een duidelijk beeld van Duwaerts’ oeuvre. Doorheen zijn loopbaan maakte hij veel religieuze werken. Deze werken waren voornamelijk in opdracht van verscheidene kerken. Opvallend is de hoeveelheid werken die hij maakte voor de kerken van Kersbeek, Werchter en Houwaart. Wat blijkt, een broer en halfbroer van Duwaerts waren in die periode pastoors van deze parochies. Verder maakte hij overwegend bustes en alledaagse taferelen uit terracotta die hij verkocht aan de gegoede burgerij.
Tussen Diest en Antwerpen
Duwaerts woonde tot zijn dood in Antwerpen, maar bleef altijd nauw verbonden met Diest en omstreken. Veel van zijn werken waren dan ook voor opdrachtgevers in deze regio. In 1875 maakte Duwaerts een toorts voor het Lyrisch Zanggenootschap van Diest. Hij schetste dit werk alvorens hij het verder uitwerkte.
De toorts is in het bezit van het Stadsmuseum De Hofstadt. Verder deed de Sint-Laurentiuskerk in Antwerpen meerdere keren beroep op Duwaerts’ kwaliteiten. Deze kerk werd echter rond 1932 gesloopt en opnieuw opgebouwd in art decostijl. Jammer genoeg betekende dit ook het verlies van Duwaerts’ beelden. Er is wel een bas-reliëf Marteldood van St. Laurentius in het bezit van het Stadsmuseum.
Dit werk maakte hij voor de voorgevel van de Sint-Laurentiuskerk. Is dit misschien het originele werk van de voorgevel?
Bovendien kunnen er twee werken van Duwaerts bewonderd worden aan de voorgevel van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Bij de opbouw van het museum in 1892 werd hij uitgekozen, samen met enkele andere kunstenaars, om de voorgevel te voorzien van verschillende beelden. Hij maakte een buste van Vorsterman, een graveur actief in Antwerpen omstreeks 1620. Eveneens maakte Duwaerts een medaillon voor de voorgevel van de bekende 15de-eeuwse kunstschilder Jan van Eyck.
Ook buiten de regio had Duwaerts een zekere bekendheid. 7.885 kilometer van Diest verwijderd, kan in New Orleans, Amerika een beeld gevonden worden van O.L.-Vrouw Onbevlekte Ontvangenis. Wat dichter bij huis is er een lantaarnpaal van Duwaerts te bewonderen in de Kruidtuin van Brussel.
Einde loopbaan
Het opdrachtenboekje werd consistent ingevuld van 1874 tot 1899. Duwaerts maakte nog wel de opmaak voor het jaar 1900, maar noteerde er geen verdere opdrachten meer in. Er is bewijs dat hij nadien nog werken maakte, maar de vraag blijft of hij deze nog verkocht. Bij een familiebezoek aan één van zijn broers in Diest stierf Desiré Duwaerts op 30 december 1901, na een ziekte.
Het volledige archief van Désiré Duwaerts kan geraadpleegd worden in het stadsarchief.
Geschreven door: Eef Van Horebeek
1 april 2026 | Rome
Op bedevaart met Sint-Jan Berchmans naar Rome
Met de paasvakantie in aantocht kijken veel leerlingen van het 6de middelbaar uit naar hun aankomende Romereis. Maar waar komt deze traditie eigenlijk vandaan? Eigenlijk is de hedendaagse cultuurreis naar Rome een variant van de ultieme katholieke pelgrimstocht die in het begin van de 20ste eeuw in opmars kwam.
Reisverslag uit 1921
In het Stadsarchief van Diest vinden we een handgeschreven reisverslag terug uit 1921, opgesteld door Jos Jacobs, toenmalig rector van het Sint-Barbaracollege van Gent. Het Sint-Barbaracollege organiseerde in 1921 een grote pelgrimstocht naar Rome ter ere van het derde eeuwfeest van den H. Johannes Berchmans. Deze pelgrimstocht sloot aan bij de traditie van een katholiek reveil dat ontstond na de katholieke onderdrukking in de Napoleontische tijden en de beperkingen die opgelegd werden door Willem I in verband met processies en volksdevotie.
Geloof in opmars
Na het ontstaan van België veranderde dit echter door de liberale grondwet die godsdienstvrijheid toeliet. Dit leidde tot een katholiek reveil dat gepaard ging met een opstoot van volksdevotie en dat zich uitte in talrijke bedevaarten en groots opgezette processies. Het katholieke kamp raakte steeds meer doordrongen van het ultramontaanse gedachtegoed. Dit gedachtegoed benadrukte de voorgangsrol van de Kerk in de publieke ruimte. Ze zetten zich hiermee ook expliciet af tegen het liberale gedachtegoed dat geloof een privégelegenheid was die zich binnenkamers afspeelde. Dit kaderde ook in de toenemende tegenstellingen tussen de Katholieke Partij en de Liberale Partij waarbij beide zich wilden profileren.
Diest en zijn heilige trots
In Diest kozen zowel de Liberale als de Katholieke Partij voor grote volksfeesten waarop zij hun stempel drukten. In Diest vonden de katholieken de ideale lokale heilige in de figuur van Sint-Jan Berchmans.
Sint-Jan Berchmans was de eerste Vlaming die in 1888 heilig werd verklaard en werd uitgeroepen als beschermheilige van de schoolgaande jeugd. Johannes Berchmans kende een kort maar bijzonder devoot leven van 1599 tot 1621. Dit Diestse wonderkind kreeg eerst zijn vorming in het Diestse begijnhof en ging vervolgens naar het Standonckcollege te Mechelen. In 1616 begon hij zijn noviciaat en ging hij in Antwerpen Wijsbegeerte studeren. Hij blonk zo uit in zijn studies dat hij naar Rome werd gezonden. Hij trok in 1618 te voet naar Rome maar liep tijdens deze tocht een longontsteking op. Hij legde nog een schitterend eindexamen af op 19 maart 1621, maar stierf uiteindelijk totaal uitgeput op vrijdag 13 augustus 1621.
Hoewel de figuur van Sint-Jan Berchmans in de hedendaagse ogen waarschijnlijk niet veel mensen aansprak door zijn eerder korte levensloop, leefde deze heilige erg in de lokale volksdevotie. Zijn grootste verdienste was immers om het gewone alledaagse op een buitengewone manier te verrichten.
Een heilige in beeld en beleving
In het stadsarchief van Diest bewaren we een hele collectie iconografie waarin Johannes Berchmans veelvuldig voorkomt in al zijn verschijningsvormen. In onze collectie bevindt zich ook een verzameling omtrent de Sint-Jan Berchmansfeesten die georganiseerd werden te Diest nog voordat Sint-Jan Berchmans heilig verklaard werd. Deze verzameling werd aangelegd door leden van het feestcomité van de stad Diest en bevat informatie rond de jubelfeesten van 1865, 1888, 1913, 1921, 1938, 1949, 1963-1965, 1982-1983 en als laatste in 1988-1989.
Het hoogtepunt van deze verzameling focust zich op het jubelfeest van 1938. Dit doet vermoeden dat de originele verzameling is samengesteld door Gilbert van der Linden, voormalig Stadsarchivaris van Diest, en organisatorisch trekker van deze groots opgezette jubelfeesten. Deze collectie geeft een mooi beeld over hoe de figuur van Sint-Jan Berchmans leefde onder de Diestse bevolking en ook werd ingezet voor een katholieke profilering om massa-evenementen te organiseren die in de moderne tijd hun gelijke niet kennen.
Vanuit sociologisch perspectief is dit een leuke verzameling om te onderzoeken en op historisch gebied geeft het een unieke kijk op massa-evenementen op het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.
|
|
Op avontuur naar Rome
Deze verzameling over de Sint-Jan Berchmansfeesten bevat dus ook het reisverslag van Jos Jacobs over zijn pelgrimstocht naar Rome met zijn studenten. Jos Jacobs was naast een devoot persoon ook duidelijk een cultuurliefhebber. De groep reisde van 27 maart tot 9 april en verbleef in totaal 4 dagen in Rome. Op hun tocht van en naar Rome deden ze Parijs, Nice, het zuiden van Frankrijk, Genua, Firenze, Milaan en Lugano aan. Ze reisden vooral per trein en op de terugreis zelfs met de stoomboot.
Het hoogtepunt van hun reis was een bezoek aan het Colosseum, de catacomben en het bijwonen van een mis in Vaticaanstad, waarbij ze zelfs de paus hebben ontmoet. Jos Jacobs schreef deze reis helemaal uit in zijn reisverslag en illustreerde ze met allerlei foto’s. De reis op zich was duidelijk een evenement waarover Jos Jacobs anekdotisch uitweidde. We komen zo te weten dat in Genua de olijfolie in de smaak viel, de porties eten te klein waren en dat de hoteliers hun prijzen verdubbelden als ze een groep scholieren zagen aankomen. Daarnaast werden er ook twee leden van hun groep slachtoffer van pickpockets.
Of om het in de beeldende woorden van Jos Jacobs uit te drukken:
“Dans le tram, au retour, les pick-pockets italiens font, aux dépens de deux de nos camarades, des démonstrations d’habilité, hélas!”
|
|
Kleine porties, grote verhalen
Dit reisverslag geeft een mooi beeld van groepsreizen in het begin van de 20ste eeuw, waarbij het concept slow travel nog een realiteit was in plaats van een nieuw reisconcept. Romereizen waren in het begin van de 20ste eeuw echter enkel weggelegd voor de gegoede middenklasse. Deze pelgrimsreis kostte 1125 frank (alle kosten inbegrepen) in 1921. Dit was echter de periode waarbij De Syndikale Kommissie (voorloper van het ABVV) ijverde voor een minimumloon van 32 frank per dag en men streed voor een 8 uren werkdag.
Duik zelf in het verleden
Indien je zelf een kijkje wilt komen nemen in dit archief, of het wilt gebruiken voor je studie of onderzoek, dan ben je van harte welkom in de studiezaal van het Diestse stadsarchief.
Geschreven door: Sarah Ons
26 februari 2026 | Gasthuiszusters van Diest
Gasthuiszusters van Diest
In 2023 namen de Diestse Gashuiszusters contact op met het stadsarchief van Diest omdat hun kloosterorde stillaan uitdoofde. In de loop van 2023 maakten de zusters afspraken met de stad Diest om hun kunstcollectie, archief en collectie oude drukken over te dragen. De Stichting Artemona werd opgericht om het patrimonium van de Gasthuiszusters te beheren. Het huidige archief en de collectie oude drukken werden door archivaris Noortje Lambrichts ter plaatse ingepakt op de zolder van het klooster van de Gasthuiszusters. In 2024 werd het archief en de collectie 334 oude drukken overgebracht naar het stadsarchief van Diest. Het stadsarchief heeft vervolgens een catalogus opgesteld voor deze collectie oude drukken en een waarderingstraject uitgewerkt. Tijdens dit traject dat werd uitgewerkt voor archiefdeskundige Sarah Ons, werd bepaald wat de waarde is van deze collectie voor onderzoek, tentoonstellingen, onderwijs en educatieve doeleinden. Er werd ook onderzocht welke boeken in aanmerking kwamen voor restauratie en hoe we ze het beste kunnen bewaren.
De Diestse Gasthuiszusters zetten zich reeds van in de 17de eeuw in voor het verzorgen van zieken te Diest. Zij legde zich devoot toe op het verzorgen van zieke Diestenaren. Doorheen turbulente historische periodes wisten de Gasthuiszusters zich te handhaven als een baken van zorg. Ze waren beschermd tegen oorlogsgeweld omdat zowel vriend als vijand hun zorgen nodig had. Hierbij hadden zij oog voor geneeskundige ontwikkelingen en de opkomst van het apothekersvak. Zo bouwde zij samen met apotheker Cornelis van Diest een bloeiende Gasthuisapotheek uit in de 2de helft van de 19de eeuw. De Diestse Gasthuiszusters waren ook de stichters van het Sint-Jozefziekenhuis in de 20ste eeuw dat later fusioneerde en nog altijd voortleeft als het A.Z. Diest.
De rijke geschiedenis van de Diestse Gasthuiszusters wordt weerspiegeld in hun collectie oude drukken die vaak ook kleine notities van diverse zusters bevatten. Deze collectie is vrij uniek voor een vrouwelijke kloosterorde omdat ze naast religieuze werken ook medische kruidenboeken bevat. De collectie medische oude drukken bevat een aantal zeldzamere exemplaren en geeft een mooie weergave van de medische kennis die aanwezig was in de 18de en 19de-eeuwse lokale kloostergemeenschap. We zien dat de Gasthuiszusters hun patiënten niet enkel geestelijk wilden bijstaan maar ook liefst echt genezen. Een voorbeeld hiervan is de bijzonder medische encyclopedie uit 1803 die zich in de collectie oude drukken van de Gasthuiszusters bevindt.
De Nouveau Dictionnaire d'histoire naturelle, appliquée aux arts, principalement à l' Agriculture et l'economie rurale et domestique uit 1803 is een geïllustreerde encyclopedie die afbeeldingen en beschrijvingen bevat van allerlei (exotische) dieren en planten. We vermoeden dat zowel de dieren als de planten verwerkt werden in de bereidingen voor de Gasthuisapotheek. De prenten van deze encyclopedie zijn mooie kunstwerkjes met visuele aantrekkingskracht. Helaas zijn sommige prenten uitgesneden uit de boeken en ontbreekt het vierentwintigste deel van deze mooi ingebonden reeks.
De religieuze oude drukken vormen het grootse deel van de collectie oude drukken van de Gasthuiszusters. Deze collectie werd door de eeuwen heen verzameld door de Gasthuiszusters en was een echt gebruiksinstrument. De Gasthuiszusters verdeelden immers hun tijd consequent tussen het verzorgen van zieken en God. Deze religieuze boeken zijn letterlijk kapot gelezen en geven een inkijk in de persoonlijke levens van de Gasthuiszusters en hun innerlijke beleving van het geloof. Deze collectie bevat verschillende mooi geïllustreerde boeken waarbij de beeldtaal sterk verschilt van de onze. In de 17de en 18de eeuw werden beelden gebruikt om rechtstreekse aansluiting te vinden bij de gelovige. Hierbij werd gebruik gemaakt van plastische beelden met spuitend bloed, harten en fonteinen met het bloed van Christus. Het lijden van de mens en Christus werd plastisch in beeld gebracht om zo een connectie te maken met de gelovige. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk Devotie tot het goddelyk hert van onzen heere Jesus Christus, s.d.
Deze oude druk bevat een bijzonder realistisch getekend hart van Christus dat er anatomisch correct uitziet.
De collectie oude drukken van de Gasthuiszusters bevat ook twee verrassingen. In totaal is iets meer dan 10% van de oude drukken van de Gasthuiszusters van Diest zeldzaam maar tegen de algemene verwachting in bevat de handbibliotheek van de Gasthuiszusters ook twee unica. Dit zijn oude drukken die in geen enkele andere (Nederlandse of Belgische) bibliotheek aanwezig zijn.
Dit kleine werkje is een convoluut wat betekent dat er in dit geval drie boeken werden ingebonden in één band. Eén werkje van de drie was tot nu toe onbekend. Klyn Getydeken van de H. Joachim is een oude druk van een onbekend uitgavejaar. Dit geïllustreerde werk van klein formaat is opgedeeld volgens de maanden van het jaar en bevat gebeden en aanbevelingen. De oude druk is opgebouwd in vraag-en- antwoordvorm. De band van het convoluut is echter zwaar beschadigd door brandschade (van een sigaret of kaars) en komt in aanmerking voor een grondige restauratie.
Ook Excellentissimo et illustratisssimo comiti de penaranda uit 1600 blijkt een unicum te zijn.
Dit boek is bovendien interessant omdat het verschillende aanvullingen en annotaties bevat. De oude druk bevat onder andere losse gebeden en tekstjes van de Diestse Gashuiszusters waarvan we niet weten of zij eigenlijk wel Latijn konden lezen.
De collectie oude drukken van de Diestse Gasthuiszusters biedt ons op een unieke manier een inkijk in het leven van de Dieste Gasthuiszusters door de eeuwen heen en vormt een mooie bron voor verder onderzoek naar deze kloosterorde. Hiernaast bevat de collectie bijzondere pareltjes zoals unica, kruidenboeken en boeken vol met kleine nota’s van de gasthuiszusters. Op dit moment zijn we hard aan het werk om alle oude drukken op een gepast manier te verpakken zodat ze kunnen bewaard worden voor de eeuwigheid. Onderzoekers en andere geïnteresseerden zijn altijd welkom in het stadsarchief om deze collectie te bekijken en te onderzoeken.
22 januari 2026 | Mark Macken - Huldiging van een uitzonderlijk talent
Huldiging van een uitzonderlijk talent!
Op 22 januari 1939 maakten de inwoners van Diest zich op voor de feestelijke huldiging van Mark (Marcel) Macken. Een maand eerder had hij namelijk als eerste Diestenaar de Prix de Rome voor beeldhouwkunst behaald. Deze uitzonderlijke prestatie wilde men in zijn geboortestad niet ongemerkt laten voorbijgaan. Tijdens de beschrijving van de fotocollectie van het stadsarchief stuitten we op een reeks foto’s die deze gebeurtenis chronologisch weergeeft.
Talent van eigen bodem
Mark (Marcel) Macken werd op 19 september 1913 geboren in Diest. Zijn vader, War Macken, runde een eigen meubelfabriek en was een begenadigd kunstschilder. Om de opvolging in de zaak te verzekeren, volgde Mark lessen houtsnijwerk in Leuven. Al snel werd hij door zijn leraar aangemoedigd om zich toe te leggen op de beeldhouwkunst. Van de Stedelijke Academie van Leuven ging het naar de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, om er vervolgens in 1936 zijn studies af te ronden aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten.
Twee jaar na zijn afstuderen, hij was ondertussen al aan de slag als leraar tekenen in diverse middelbare scholen, behaalde Macken de Prix de Rome voor de beeldhouwkunst. Hij was niet de eerste Diestenaar: Désiré Duwaerts ging hem al voor in 1877. Hij behaalde toen een tweede prijs in de beeldhouwkunst. De Prix de Rome was een aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars uit verschillende disciplines: schilderkunst, gravure, beeldhouwkunst en muziek.
Identificatie van de foto’s
De fotocollectie van het stadsarchief is geordend volgens onderwerp. Om de toegankelijkheid te vergroten werkt één van onze vrijwilligers sinds 2025 aan het individueel beschrijven van alle foto’s: een huzarenstukje. Zo stuitten we op een omslag met foto’s van Mark Macken zonder verdere uitleg of datering. Op de in totaal 21 foto’s staan verschillende jeugd- en muziekverenigingen afgebeeld, die in stoet door de centrumstraten trekken. We zien ook Mark Macken en zijn familie op de stoep voor het ouderlijk huis in de Koning Albertstraat en een grote menigte die zich verzamelt op de Grote Markt voor het stadhuis.
Door het ontbreken van een opschrift, was het moeilijk om de foto’s exact te identificeren. Zo begon een kleine speurtocht in het archief. Op basis van zijn biografie leek het plausibel dat de foto’s te maken hadden met zijn Prix de Rome uit 1938. Indien er in de stad een grote huldiging had plaatsgevonden, zou er ongetwijfeld gewag van worden gemaakt in de lokale kranten. De Gazette van Diest bood uiteindelijk het antwoord.
Relaas van een huldiging
In een artikel in de Gazette van Diest van 28 januari 1939 vonden we een chronologische beschrijving van de huldiging van Mark Macken én konden we de foto’s niet enkel dateren, maar ook in de correcte volgorde weergeven. Het was de Diestersche Kunstkring, o.l.v. voorzitter Van de Sijpe, die het voortouw nam in de organisatie van de feestelijkheden. Een vijftigtal verenigingen verzamelden op zondagvoormiddag 22 januari 1939 op de Grote Markt terwijl beiaard Van de Plas hen vermaakte met allerlei deuntjes.
De stoet zette zich in gang richting het ouderlijk huis van Mark Macken in de Koning Albertstraat onder muzikale begeleiding van de deelnemende muziekverenigingen. Zoals het in die tijd gebruikelijk was, droegen alle verenigingen hun vaandel met zich mee. De leden van de Diestersche Kunstkring sloten de stoet af. Op de foto’s is te zien hoe Mark Macken en zijn familie op de stoep voor het huis stonden, terwijl de voorbijtrekkende stoet hen groette. De kunstenaar sloot zich op het einde van de stoet aan, die zich verder door de stad slingerde via de Overstraat, Felix Moonsstraat, Guido Gezellestraat, Wolvenstraat, Botermarkt en de Sint-Jan Berchmansstraat, terug naar de Grote Markt. Daar werd de kunstenaar in het bijzijn van zijn familie tijdens een officiële plechtigheid op het stadhuis door schepen Eggen gehuldigd, waarna iedereen uitgenodigd werd in de Hallezaal voor de tentoonstelling van het werk van de beeldhouwer.
Beeldhouwer en directeur
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Macken actief in het Onafhankelijkheidsfront en de clandestiene pers. In 1943 werd hij gearresteerd en verbleef hij, tot het einde van de oorlog, in verschillende gevangenissen en kampen. Na zijn terugkeer werd hij gevraagd om een monument te ontwerpen ter nagedachtenis van de overleden verzetsstrijders van het Geheim Leger in Diest. In 1946 werd het monument, op het huidige Weerstandsplein, ingehuldigd.
In datzelfde jaar ging Macken aan de slag als leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. In 1962 werd hij er benoemd tot directeur en zette hij zich in voor de reorganisatie ervan. Hij introduceerde nieuwe richtingen zoals edelsmeedkunst en juweelontwerp, mode- en theaterkostuumontwerp en fotografie. Ook als beeldhouwer maakte hij nationaal en internationaal naam voor zichzelf en werd hij gelauwerd met de Prijs van Lerius, de Prijs De Keyzer en de Prijs Egide Rombaux. Mark Macken overleed in 1977 in Antwerpen.
Geschreven door: Noortje Lambrichts
17 december 2025 | Wie was Delphine Alenus?
Het verhaal achter de straatnaam
Op 1 november 1869 werd in de Kempense gemeente Balen Delphine Alenus geboren. Ze was de jongste van vijf kinderen. Het was haar broer Egide Alenus, notaris van beroep, die verhuisde naar Diest en er later burgemeester zou worden van 1926 tot 1940.
Nog vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Delphine aangenomen als ambulancier bij het Rode Kruis van België, afdeling Leopoldsburg. Ze trad hiermee in de voetsporen van haar broer Gustave die op dat moment al als vrijwilliger voor het Rode Kruis werkzaam was.
Meteen na het uitbreken van de oorlog richtte burgemeester Eduard Robeyns in Diest een medisch comité op waarin artsen, apothekers en dierenartsen werden samengebracht. Het doel was de organisatie van een korps van brancardiers en ambulanciers, waarvan ook Delphine deel uitmaakte. Diest werd zo een belangrijk medisch centrum voor het opvangen en verzorgen van gewonden uit de regio.
Zonder onderscheid, zonder angst
In de geest van het Rode Kruis, hanteerde ook Delphine het principe van neutraliteit. Ze maakte geen onderscheid tussen de slachtoffers en verzorgde zowel Belgische als Duitse gekwetsten. Na de slag bij Halen op 12 augustus 1914, ging het medisch korps ter plaatse om er slachtoffers te begraven. Nadien zouden ze ook naar omliggende gemeenten gaan om daar hetzelfde te doen. Volgens het naoorlogse verslag van burgemeester Robeyns onderscheidde Delphine zich tijdens deze operaties door haar moed en opoffering.
Eén van haar meest opvallende daden vond plaats op 18 augustus 1914. Na de verwoesting van het nabijgelegen Schaffen rukten de Duitse troepen op naar Diest. De aanval was in volle gang en burgemeester Robeyns overwoog de overgave. Plots dook een Belgische soldaat op met een brief van de gewonde Duitse officier Thorman, die op dat moment in het gasthuis werd verzorgd. Op aandringen van Delphine vroeg Thorman in zijn brief aan de Duitse troepen om de aanval te staken. Deze werd inderdaad stopgezet en Diest werd, in tegenstelling tot Schaffen, gespaard van verdere vernieling.
“Femme-soldat”, spionne en krijgsgevangene
Om haar werkzaamheden te vergemakkelijken had Delphine nood aan een wagen om de gekwetsten te vervoeren. De Diestse arts Van de Kerckhof stelde zijn auto exclusief ter beschikking van Delphine. Bij de registratie van het voertuig door het Belgisch leger stond de vermelding “service militaire spécial”. Volgens latere documenten zou Delphine op datzelfde moment als eerste “femme-soldat” zijn ingeschreven in het Belgisch leger.
Haar inzet bleek echter niet zonder risico. Op 1 oktober 1914 werd ze in Aarschot voor een eerste maal gearresteerd door de Duitsers op verdenking van spionage. Haar auto werd in beslag genomen en ze werd gedurende vijf dagen gevangengezet in Brussel, maar weer vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Twee jaar later, op 5 oktober 1916 werd ze opnieuw opgepakt. De doodstraf die aanvankelijk werd geëist, werd omgezet naar levenslange dwangarbeid. Deze straf zou nadien nog eens herleid worden tot vijftien jaar dwangarbeid.
Delphine bracht zeven maanden door in voorhechtenis en werd uiteindelijk gedeporteerd naar het Duitse kamp Siegburg en later naar Delitsch. Ondanks de zware omstandigheden overleefde ze de oorlog en keerde ze terug naar België.
Erfgoed en nalatenschap
Na de oorlog stelde Delphine een chronologie op van de belangrijkste gebeurtenissen tussen augustus 1914 en oktober 1916. Ze schreef ook een brief aan haar broer Gustaaf, waarin ze haar herinneringen deelde over hoe Diest ontsnapte aan “de verdelging” op die beruchte 18 augustus 1914. In 1934 besliste het College van burgemeester en schepenen om een straat naar haar te noemen: de Delphine Alenuslaan. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog, ze was op dat moment 71 jaar, zette ze haar werk als ambulancier en verpleegster verder. Ze overleed op 2 augustus 1959 in Turnhout op 89-jarige leeftijd en werd begraven in haar geboortedorp Balen.
8 oktober 2025 | Vélo Club Diestois
Vélo Club Diestois: de eerste fietsclub van Diest
Lang voordat de elektrische fiets zijn intrede deed en bikepacking nog een ver toekomstbeeld was, bestond er in Diest al een levendige fietscultuur. Rond 1891-1892 werd de allereerste fietsclub van de stad opgericht: Vélo Club Diestois. Deze vereniging bood haar leden de kans om in groep en op twee wielen België en de omliggende landen te verkennen. Boeiende sporen van hun activiteiten zijn terug te vinden in het enige bewaarde register van de vereniging.
Fietsen voor de gegoede burgerij
De fiets was in het laatste decennium van de 19e eeuw nog een luxeproduct. Enkel mensen uit de gegoede burgerij konden zich een rijwiel veroorloven. Het waren bijgevolg vooral notabelen en middenstanders die zich bij de Vélo Club Diestois aansloten. Hun doel was niet louter sportief, het draaide om gezelligheid, avontuur en ontdekking.
In de beginjaren kozen de leden vaak een bestemming om naartoe te reizen met de trein of autobus. Eenmaal aangekomen, werd de fiets bovengehaald en fietste men terug naar huis. Niet alleen sportief, maar ook bijzonder sociaal: onderweg werden maaltijden gedeeld, verhalen verteld en vriendschappen gesmeed.
Een blik in het enige register
Een bijzondere bron voor wie meer wil weten over de club, haar leden en activiteiten, is het enige bewaarde register in het stadsarchief van Diest. Dit zorgvuldig bijgehouden boek biedt een unieke inkijk in het reilen en zeilen van de vereniging. Niet alleen vinden we er de administratie van de club terug, maar ook uitnodigingen voor evenementen, verslagen van stoeten, prijsgegevens per deelnemer en zelfs beschrijvingen van het weer tijdens bepaalde uitstappen. Sommige verslagen worden geïllustreerd met foto’s van trotse deelnemers, klaar voor vertrek of al nagenietend van een mooie tocht.
Ook praktische gegevens ontbreken niet: het register bevat reglementen, overzichten van reisuitgaven, verslagen van vergaderingen… Uit het register blijkt bijvoorbeeld dat de club in 1921 een uitstap maakte naar de suikerfabriek in Tienen, en in 1931 een bezoek bracht aan de Koninklijke Serres van Laken. Activiteiten vonden ook dichter bij huis plaats: getuige hiervan de uitnodiging op een “Garden Partij” bij de voorzitter van de club, Oscar Nihoul, ter gelegenheid van zijn benoeming tot burgemeester in 1921.
Van vélo naar auto-car
Met de opkomst van de auto veranderde ook de invulling van de club. Reizen naar het buitenland werden steeds populairder. De fiets bleef op stal, maar het groepsgevoel bleef behouden. Buitenlandse steden als Parijs en bestemmingen in Duitsland en Nederland werden vlot bereikt, vaak met bus of wagen.
Het einde van een tijdperk
Het register loopt tot 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In 1952 wordt de vereniging officieel opgeheven. Toch leeft het verhaal verder via dit ene waardevolle document, vol met handgeschreven indrukken, cijfermateriaal en foto's — een tastbaar stukje sociaal leven uit het Diest van weleer.
Dit stuk bevindt zich in het Archief Verenigingen en manifestaties (347.06 KB) "pdf".